Rabo 2

Leden van de Rabobank Westelijke Mijnstreek kunnen het Graetheidecomité financieel steunen door bij de Rabo Clubkas Campagne op ons te stemmen. Op 8 mei ontvangt u een stemkaart van de bank en u kunt tot 23 mei stemmen. U vindt ons onder de rubriek natuur of u vult in het zoekveld in Graetheidecomite

raboclubkas

 

 

Reactie Graetheidecomité op REGIOVISIE W.M. 2009-2020

Het Graetheidecomité is tegen een aantal voorstellen uit de begin februari 2009 gepubliceerde Regiovisie. Ondanks de verwachte bevolkingsafname zetten provincie en gemeente veel te sterk in op groei. Men zou zich meer moeten concentreren op werk voor de aanwezige bevolking in plaats van proberen kenniswerkers van elders aan te lokken. Verder is het Graetheidecomité tegen plannen voor een grote kenniscampus op de Lexhy, een ondergrondse energieopslag (OPAC) op Graetheide bij Berg en een villawijk in de Bramert (Urmond).

   Moet dit volgebouwd worden?

 

Het Graetheidecomité zou graag zien dat de Regiovisie Westelijke Mijnstreek 2009-2020 op een aantal punten wordt aangepast. Een belangrijk punt is de spagaat tussen de economische groei die in de plannen nagestreefd wordt en de afname in beroepsbevolking die in andere delen van het plan (met name de woningbouw) het uitgangspunt is. Verder heeft het comité grote bezwaren tegen drie concrete projecten in het plan, te weten de uitbreiding van de Chemelot-campus met ca 200 ha op de Lexhy, de bouw van een OPAC op Graetheide en de realisatie van een villawijk in de Bramert. Wij willen deze gebieden graag voor landbouw en natuur behouden en de leefbaarheid in de regio niet nog verder verslechteren.

1. Economische groei versus bevolkingsafname.

Geconstateerd wordt dat er in de toekomst onvoldoend personeel voorhanden zal zijn om de groei van de economie op de oude voet voort te zetten.
De krimp, in combinatie met een sterke vergrijzing, heeft tot gevolg dat er zelfs bij een stabiliserende(CBS) dan wel licht afnemende werkgelegenheid (ETIL 2006), een tekort ontstaat aan personeel.(blz. 23)
Door het ontbreken van extra kwaliteiten in het woon- en leefklimaat en de afname van de beroepsbevolking, is het gangbare economische groeimodel dat uitgaat van een zo hoog mogelijke economische groei en een zo hoog mogelijk consumptief gedrag geen realistische optie voor de regio.(blz. 16)
Er wordt voor gekozen alleen nog industriële groei na te streven op een aantal speerpunten van hoogtechnologische bedrijvigheid. Deze groei zou dan zelfs zo groot moeten zijn dat dit leidt tot
 een toenemend aandeel van de regio in het bruto nationaal product (blz.16)
Gekozen wordt voor groei in de chemie, automotive en zorgtechnologie. Als in deze sectoren groei nagestreefd wordt, moet (gezien de afname in personeel) in andere sectoren extra ingekrompen worden. Welke dat zijn wordt niet benoemd. Omdat de drie speerpunten een zeer groot deel van de bedrijvigheid in de regio omvatten blijven er weinig sectoren over waar die krimp dan zou moeten plaatsvinden. De conclusie in de regiovisie is dan ook:
Wij moeten in de komende periode onorthodoxe maatregelen nemen om het aanbod van geschikt personeel te vergroten. (blz. 23)
Welke onorthodoxe maatregelen dat zijn blijft onbesproken. Er wordt alleen verwezen naar de Regionale Agenda Onderwijs-Arbeidmarkt die echter alleen het huidige beleid weergeeft. Dit zal dus niet tot een significante toename in het aantal arbeidskrachten leiden, temeer omdat de bevolkingafname in heel Europa speelt. Extra personeel voor de kennis-industrie zou uit Azië moeten komen, maar of dat de juiste strategie is betwijfelen we. De regiovisie gaat er in het hoofdstuk wonen overigens ook van uit dat dit streven naar meer inwoners niets zal opleveren.
Een sterke groei op de genoemde speerpunten is dan ook niet realistisch.
Het Graetheidecomité geeft er de voorkeur aan niet uit te gaan van het motto: ”De mens is op aarde om te economie te dienen”, maar de afname in beroepsbevolking te accepteren en de industriële activiteit daarop af te stemmen. Dit betekent dus zorgen dat er werk is voor de mensen die hier wonen of willen wonen en afzien van industriële bedrijvigheid die de capaciteit van de aanwezige bevolking te boven gaat.

2. Kenniscampus de Lexhy

De nota gaat uit van een groei van het aantal kenniswerkers op Chemelot  met 900 in de periode tot 2015. Chemelot zelf denkt dat dit aantal pas in 2019 gehaald zal zijn. Hoe lang er nog groei op  Chemelot gerealiseerd kan worden, wordt niet duidelijk gemaakt. Volgens de regiovisie is nog 100 ha op Chemelot vrij; volgens het “Programma Werklocaties” is dit 135 ha. Aannemende dat hiervan 50 ha beschikbaar is voor de research-campus zouden hier ca 5000 nieuwe arbeidsplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Hierbij hebben we aangenomen dat het aantal mensen per ha gelijk is aan dat op de Philips-campus in Eindhoven en dat er geen extra ruimte op Chemelot vrij komt door fabriekssluitingen. Wij concluderen hieruit dat het volstrekt niet nodig is om buiten het huidige Chemelot-terrein nog ruimte te reserveren.
In de regiovisie wordt nog ca 200 ha op de Lexhy en noordelijk van de Bergerweg gereserveerd voor Chemelot. Hoewel we blij zijn dat de 300 ha die in het Toptech-plan van BVR voor een kenniscampus gereserveerd werden inmiddels gereduceerd zijn tot deze 200 ha, denken we dat er toch enige onderbouwing van die grondclaim nodig is alvorens te besluiten dat dit gebied ook weer decennialang geblokkeerd wordt. Die onderbouwing ontbreekt geheel en zal er denken wij ook nooit komen.

3. Ondergrondse energieopslag (OPAC)

De regiovisie maakt een duidelijke keuze met betrekking tot het soort bedrijvigheid dat in de regio gewenst is. De regio legt de focus op hoogtechnologische bedrijvigheid met als speerpunten chemie, automotive en zorgindustrie (blz. 16 en 17). Alleen voor dit soort bedrijvigheid mag natuur opgeofferd worden:
De compromisloze keuze voor het landschap leidt tot het principe dat het landschap minimaal dezelfde omvang behoudt en dat woningbouw en bedrijvenontwikkelingen binnen het bestaande bebouwde gebied moeten blijven. Het principe heeft een ‘hardheidsclausule’ die ruimte geeft aan de uitzondering, als sprake is van een ontwikkeling van essentieel belang voor de realisatie van de speerpunten.(blz.19)
Een OPAC is gebaseerd op technologie van het begin van de vorige eeuw (mijnbouw, waterkracht-centrales). Op zich is er niets op tegen om dergelijke technologie te gebruiken, maar het valt niet onder de hoogtechnologische bedrijvigheid waar de regiovisie voor kiest. Ten onrechte wordt er dus, zonder dit verder te beargumenteren, ruimte voor de OPAC gereserveerd.
Een bijkomend probleem is dat de gekozen locatie ongeschikt is vanwege het feit dat stabiel gesteente op veel te grote diepte zit. De temperatuur is daar zo hoog dat het opgepompte water warm is en het opslagbassin daardoor (afhankelijk van de weersomstandigheden) voor mistwolken over de A2 en de omgeving zal zorgen (o.a. in villawijk de Bramert).

Hier moeten 400 woningen komen.

 

4. Villawijk de Bramert

In de regiovisie wordt, vooruitlopend op een lopend onderzoek, geconstateerd dat er behoefte is aan een woonlocatie van topniveau. De eisen zijn hoog: een toplocatie met zeer extensieve verkaveling en verwevenheid met het omliggende landschap (blz. 30), een  excellent woonmilieu, uniek op de schaal van Zuid-Limburg en met grote aantrekkingskracht op mensen van buiten Limburg (blz. 37) in een zeer ruim opgezette landelijke omgeving (blz. 28) en met zeer grote bouwkavels (blz.18).
En dat moet dan de Bramert zijn! Pal langs de A2 met zicht op DSM, ingeklemd tussen A2 en Julianakanaal, aan de noordkant grenzend aan het waterbassin van de OPAC (30 ha) en aan een varkenshouderij en aan de overkant van de A2 de uitbreiding van de kenniscampus. In plaats van verweven met het omliggende landschap ligt het er volkomen van geïsoleerd. Bos is pas op kilometers afstand te vinden (behalve een smalle strook die tussen de A2 en de OPAC zou moeten komen) en ook winkelcentra en middelbare scholen zijn op kilometers afstand.
De villawijk strookt niet met de plannen van de gemeente Stein, die een veel bescheidener karakter hebben. Verder is een probleem dat de woningbouwcorporaties (dus de huurders) in het kader van “één erbij, één eraf” voor de sloopkosten van woningen moeten opdraaien als compen-satie voor de geplande 500 nieuwe woningen. Ook zullen de plannen een negatief effect hebben op de prijzen van de bestaande woningen in de hogere prijsklasse. Verder willen we erop wijzen dat het huidige woningbouwprogramma van de Westelijke Mijnstreek tot 2010 een overcapaciteit van 1700 woningen heeft.
Ook zien wij niet in dat er buitengebied opgeofferd moet worden voor deze plannen zonder eerst goed na te gaan welke mogelijkheden er in de regio nog zijn binnen de bestaande bebouwingsgrenzen. Het gebruiken van buitengebied voor dit doel kan alleen als er sprake is van een ontwikkeling van essentieel belang voor de realisatie van de speerpunten.(blz.19) en dat is hier niet het geval.

 

 back f2