Een rampzalige dag uit de geschiedenis van Obbicht 

Het is vrijdag 7 oktober 1825. Het belooft vandaag een gure herfstdag te worden. Een strakke zuidwestenwind striemt het Maasdal. Het is alsof de dorpen meer dan anders wegduiken om extra bescherming te zoeken achter de dijken van de rivier. Ze lijken wel uitgestorven, want geen sterveling rept zich zonder noodzaak door de modderige straten. Ook het Maasdorpje Obbicht ligt er als verlaten bij… Geen hond op straat. Zelfs de kippen, die normaal in de stoffige straten kakelend en schaterend genoeg van hun gading vinden, blijven weg.

 

En de gevels van de huizen getuigen bepaald niet van enige welstand van de bewoners. Het zijn eenvoudige boerderijtjes en nog eenvoudiger woninkjes, veelal van hout en bedekt met strooien daken, die het aanzien bepalen van de slechts enkele straten die het dorp telt. Zij dienen voor het merendeel tot woning voor de vele keuters en dagloners. Hier en daar doorbreekt een enkele grotere boerenhoeve enigszins de eentonigheid van het straatbeeld. Op korte afstand van de dorpskom liggen enkele rijke boerenhofsteden, zoals de Hogenbergerhof op de rand van de gemeente Born en langs de beek de pachthoeve van het kasteel. In de Heereweerdt van Obbicht pal op de oostelijke oever van de Maas ligt de Cannenoort Hof, een kapitale hoeve met veel landerijen.

 

Vanwege het gure weer laten de meeste dagloners, keuters en boeren de akkers voor wat ze zijn en zitten, tevreden een pijp rokend, weggedoken achter de houtgestookte stoof, of hebben hun bezigheid op het erf of in de stal. In de schuren ligt de welgeslaagde oogst, hun grootste rijkdom, hoog opgetast. Dat geeft hen een voldaan gevoel en bovenal de zekerheid de naderende winter goed door te komen. Ook herder Willem Bees heeft zijn schapen op stal gehouden.

 

obbicht1820Dorpskruidenier Pierre van Acker kan vandaag de klanten op de vingers van zijn handen tellen. Eén de weinige neringdoenden die van het gure herfstweer geen hinder heeft is Nol Haerden die in zijn knusse werkplaats met vaardige hand de schietspoel op zijn weefgetouw bedient. Ook Harie Maessen, die als schoenmaker trouw bij zijn leest blijft, fluit goed gemutst zijn vaste deuntje.

 

In de verte laat smid Corneel Jaspers zijn moker in een vast ritme dansen op het aambeeld. Het zijn deze mokerslagen die samen met het regelmatig slaan van het uurwerk in de kerktoren in staat zijn de jagende en huilende stormwind te overstemmen.

En dan heb je nog Frans Ecrevisse die de afgelopen dagen huis aan huis genoeg lompen heeft opgehaald om op ’t Greuske zijn papiermolen draaiend te houden. Terwijl hij druk doende is, dwalen zijn gedachten regelmatig af naar het verre en voor hem onbekende Leuven, de stad waar zijn zoon Pieter verblijft en studeert aan de universiteit. Graag had hij hem het vak van papierfabrikant geleerd, maar als kind van vier raakte de kleine Pieter op een onbewaakt ogenblik met zijn rechter hand onder de stamphamers van de molen en verbrijzelde drie vingers. Een fataal moment, waar Frans nog steeds om treurt en waarvan hij nog regelmatig nachtmerries krijgt, om maar niet te spreken van de schuldgevoelens die hij er aan over heeft gehouden.

 

De papiermolen ligt op het vroegere grondgebied van het kasteel, dat jaren geleden werd gekocht door de huidige bewoner Jacob Beelaerts van Blokland, een heer van stand, van Haagse komaf, voorheen schout en sinds kort burgemeester van Obbicht en Papenhoven, weliswaar protestant, maar goed in de omgang met dorpsbewoners. Een man ook met een uitstekende reputatie als militair, die de bizarre tocht naar Moskou in het leger van Napoleon heeft overleefd.

Aan de noodzijde van het dorp ligt ’t Lauwierken, de schans, waar de inwoners van Obbicht vroeger in tijden van dreigend oorlogsgevaar binnen de omgrachting en de opgegooide wal bescherming zochten tegen doortrekkend krijgsvolk.

 

Het loopt tegen twaalven als koster Mertien Hubens in zijn schamele jas gedoken en met de hand aan de pet zich naar het kerkje haast om het angelusklokje te luiden en de dorpelingen tot gebed te manen, daarbij gade geslagen door pastoor Joannes Mulkens die voor zijn dagelijks breviergebed is uitgeweken naar de serene stilte van het eeuwenoude kerkje aan de Dorpsstraat. Daarna lijkt het alsof het dorp helemaal is uitgestorven. Haast iedereen wordt door de aanhoudende storm in slaap gesust en houdt van lieverlee een langer middagdutje dan gebruikelijk.

 

Het loopt tegen enen als het noodlot op dit heldere uur van de dag geheel onverwacht genadeloos toe slaat. Terwijl de papiermolen van Frans Ecrevisse op ’t Greuske op volle toeren draait en de stamphamers in de hamerbakken bonkend de lompen, lappen en snippers stof tot losse vezels stampen, maakt buiten de tot stormkracht aanzwellende zuidwestenwind zich meester van de nog nagloeiende as uit de asketel van de molen en jaagt het vernielende element over de daken van de molen en de belendende huizen langs de beek.

 

Eer Frans Ecrevisse en de naaste buren in de gaten hebben welke ramp zich begint te voltrekken staan de molen en de huizen in de naaste omgeving al in lichter laaie. Als een zweep jaagt de stormwind de vlammen over de merendeels met stro bedekte daken van de huizen aan de Dorpsstraat en langs de beek. “Brand!, brand!!, brand!!!” wordt er geroepen, waarop hevig geschrokken mannen, vrouwen en kinderen in doodsangst hun huizen ontvluchten. Luidkeels “help, help” schreeuwend, grissen zij nog een emmer weg en rennen in radeloosheid naar de beek in een ultieme poging om te blussen wat nog te blussen valt. IJdele hoop…, want dichte, verstikkende rookwolken bemoeilijken het ademhalen en belemmeren het zicht in de straten, terwijl verdwaasd rondrennende mensen de gang naar en van de beek blokkeren. In een mum van tijd staan nagenoeg alle huizen in brand, enkele verspreid staande woningen uitgezonderd. Ook de kerk en de pastorie, twee van de weinige stenen gebouwen, worden door de vlammen verteerd. Nauwelijks is er oog en oor voor het donderend geraas waarmee de fiere kerktoren als een kaartenhuis in de vlammenzee ten onder gaat.

 

Inmiddels lopen mensen uit de buurdorpen Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, Born, Graetheide, Nattenhoven en Berg bij honderdtallen te hoop, zonder ook maar iets tot redding te kunnen bijdragen. Het enige mogelijke voor hen is troost en hulp te bieden aan radeloze familieleden of willekeurige inwoners, die jammerend en weeklagend door de straten dolen of in de smeulende en brandende, schamele resten van hun huizen nog zoeken naar iets tastbaars. Zelfs de Stokkemenaren zijn massaal uitgelopen en slaan vanaf de oever aan de overzijde van de Maas in grote verbijstering het inferno gade. Nauwelijks een uur heeft de brand nodig om het kleine Obbicht tot een spookdorp te maken. Als de vlammenzee dooft en rookgordijnen zijn opgetrokken, ontwaren de inwoners ook de persoon van burgemeester Jacob Beelaerts, die vanaf het gespaard gebleven kasteel is toegesneld om hulp te bieden. Zwaar aangeslagen door de aanblik van het geruïneerde dorp gaat hij troostend rond, spreekt de inwoners bemoedigend toe en belooft hen onmiddellijke hulp in de rampspoed die hen op slag dakloos en brodeloos heeft gemaakt.

 

Tegen het vallen van de avond op deze zo rampzalige dag liggen de kerk, de pastorie en 34 huizen volledig in as. Huizen van keuters en boeren, waarin de rijke oogst lag opgeslagen, voldoende leeftocht biedend voor de naderende wintermaanden. 43 Gezinnen zitten onder Gods blote hemel op de puinhopen van hun verloren gegaan bezit; troosteloos treurend en de hemel smekend om hulp en bijstand. En toch met een ondertoon van dankbaarheid, dat er geen dodelijke slachtoffers waren te betreuren.

 

Pastoor Stanislas van Cooth van Papenhoven-Grevenbicht maakt dezelfde dag bij thuiskomst als ooggetuige in het doopregister de volgende aantekening:

“Op de 7de October 1825 rond één uur ’s middags is ongeveer de gehele parochie Obbicht, 38 huizen met de kerk en de pastorie door vlammen verwoest. Die brand ontstond vanuit de haard of de bakoven van Franciscus Ecrevisse op het Greuske aan de Beek, terwijl de wind zeer hevig waaide uit het Westen. Vanaf dat tijdstip wordt voor die ongelukkige parochie het misoffer verzorgd in de hulpkerk van Papenhoven, terwijl Joannes Mullekens, de zeereerwaarde pastoor van de onfortuinlijken, tijdelijk woonachtig is bij de weduwe van Elsen te Papenhoven". 

 lll 47. oude toren.gedenksteen

  

Jean Knoors, Uchteraovend 2008.

 


Daags na de brand in Obbicht vergaderde Gedeputeerde Staten van Limburg al over een hulpplan, dat in de krant "Journal de la Province de Limbourg" op 9 oktober gepubliceerd werd. Deze krant (die voor het grootste deel in het Frans geschreven was) publiceerde ook regelmatig welke giften er binnen gekomen waren. Omdat dit voor de afscheiding van Belgie was, kwamen ook veel giften van de andere kant van de Maas.

 9-10-182519-10-182529-10-182539-10-1825(4)

 

Journal de la Province de Limbourg, 18-10-1825

De geldsbedragen zijn in guldens en stuivers

 18-10-1825

 

 Journal de la Province de Limbourg, 22-10-1825

 22-10-182522-10-18252

Aan hooi en stro zal er de jaren erna geen gebrek meer zijn geweest in Obbicht.

 

 

back f2