Strijd om de opdeling van de Graetheide

Eeuwenlang was de Graetheide tussen Born en Elsloo gemeenschappelijk bezit van de 14 omliggende dorpen. De inwoners mochten de heide gebruiken voor hun vee en er hout vandaan halen voor huizenbouw  en als brandhout. De dorpen hadden het gebied verdeeld en er waren strenge regels over wat mocht en wat niet mocht. Ontginnen van de heide was verboden. Toch gebeurde dat vanaf de 18e eeuw regelmatig. Er werd ook gepraat over verdelen en dan ontginnen van de heide. In 1775 werd in Sittard een plan hiervoor uitgewerkt, maar dat werd niet uitgevoerd. Probleem was o.a. dat het gebied onder verschillende regeringen viel (hertogdom Gulik, Oostenrijk en Nederland). De Franse bezetter ging rond 1800 verder met deze plannen maar kon ze ook niet realiseren. Nadat het hele gebied in 1815 bij Nederland kwam ging het vlotter; in 1818 werd door de regering een definitief besluit genomen. De 14 gemeenten kregen elk een deel en mochten hun deel verpachten aan de inwoners of verkopen. De verdeling leidde tot ruzies en gerechtzaken die tientallen jaren duurden. Urmond had ruzie met Munstergeleen, Geleen met Sittard, Stein met Elsloo, Einighausen met Limbricht enz.

catsop1929Voor veel inwoners was de verdeling een ramp. Degenen die een stuk van de heide (een “heiveld”) konden huren redden zich meestal wel, maar de armere boeren, die de huur niet konden betalen of geen heiveld kregen waren de dupe. Ze konden met hun vee nergens meer naar toe. En als je al een heiveld had was bij overlijden  kans dat het stuk grond daarna niet aan de kinderen maar aan een ander verhuurd werd. Vooral de dorpen aan de Maaskant verarmden. Velen zagen zich genoodzaakt om als brikkebekker of stukadoor in Duitsland te gaan werken. Ook immigreerden nogal wat mensen naar Amerika.

 

De periode tot 1815

In de achttiende eeuw was de regio rond Graetheide op politiek gebied erg versnipperd. sommige dorpen hoorden bij Nederland, andere bij Duitsland of Oostenrijk.

- Het hertogdom Gulik (behorend tot het Duitse Rijk) was heer in Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Urmond, Berg en Buchten.

- Oostenrijk was de baas in Obbicht en Papenhoven, dat bij het Oostenrijks deel van Gelder hoorde en in Geleen, deel van Oostenrijks Valkenburg.

- Beek en Elsloo hoorden als deel van Staats-Valkenburg bij Nederland (de Republiek der Zeven Provinciën)

- Stein tot slot was een vrije rijksheerlijkheid en viel dus rechtstreeks onder de Duitse keizer.

Gulik wilde rond 1770 de Graetheide zo veel mogelijk ontginnen omdat de verkoop geld in het laatje bracht. Geleen maakte in 1768 een verordening over verdeling van hun gebieden Beek vraagt aan de Staten van Holland toestemming om haar stuk van Graetheide te ontginnen en aan de inwoners te verpachten. De bevolking is daar echter op tegen. De gemeente Urmond b.v. stuurt een protestbrief omdat ze vindt dat de armen er de dupe van worden als ze de heide niet meer mogen gebruiken voor hun vee. In 1768 besluit Sittard een deel van haar gebied te verpachten. Dit werd in de kerk bekendgemaakt, maar er kwamen maar twee geïnteresserden. Een ervan (Simon Schrijen uit Ophoven) pachtte 54 bunder bij Einighausen en bouwde er een boerderij (de huidige boerderij Nijsten langs de Urmonderbaan).

Ondanks de geringe animo bij de bevolking zet de hertog van Gulik toch door en roept een internationale conferentie bij elkaar in Sittard. Die start op 26 juni 1775. Deelnemers waren de drossaard van het Land van Valkenburg, een geheimraad van het hertogdom Gulik, een raadsheer van Oostenrijks Gelder en de drossaard van Stein. Ze besteedden een week aan het vaststellen van de grenzen van Graetheide. Samen met landmeesters en burgemeesters werden 90 grenspaaltjes rond het gebied gezet. Op verschillende plaatsen was er discussie over wat er nu wel en wat niet bij het gemeenschappelijk gebied hoorde. In totaal kwam men uiteindelijk op 2235 bunder, waarvan 400 bunder al ontgonnen was. Over hoe het gebied verdeeld moest worden werd men het echter niet eens. Gulik en Stein vonden dat elk dorp evenveel moest krijgen, de naderen vonden dat het moest gaan naar het aantal gezinnen per gemeente. Van de conferentie werden protocollen gemaakt in het Duits en in het Frans die op 9 juli ondertekend werden.

Omdat een besluit over verdeling op dat moment onmogelijk was kregen de plaatsen die onder de Republiek (Nederland) vielen vanuit Den haag toestemming om een gedeelte van hun gebied al te verkopen of te verpachten. Geleen mocht 169 bunder privatiseren, Beek 80 en Elsloo 40. Elk gezin in Geleen had recht op 200 kleine roeden (ongeveer 3000 m ). In Lutterade was dat maar 150 roeden omdat die dichter bij het resterende gemeenschappelijk gebied woonden en daar dus meer profijt van hadden..Dat leidde weer tot protest van de bevolking die de nieuwe afrasteringen vernielden en land omploegden dat aan anderen verpacht was. Van opdeling kwam niet veel terecht. Sittardenaren begonnen op eigen initiatief in 1779 stukken grond af te bakenen om die te ontginnen. Die stukken waren echter tot dan toe in gebruik bij boeren uit Einighausen. Limbricht (waaronder Einighausen viel) steekt hier een stokje voor en verdeelt de grond onder de Einighausenaren. Iedereen kon 200 roeden pachten. Behalve pacht aan de gemeente moesten ze ook een tiende van de opbrengst aan de hertog van Gulik afgeven.

In 1795 werd het gebied veroverd door het Franse leger onder Napoleon. In 1808 werd door het Franse bestuur een nieuw verdelingsplan gemaakt. Urmond en Munstergeleen kregen volgens dit plan niets. Na protesten werd in 1812 een nieuw besluit genomen waarbij Urmond en Munstergeleen wel meedeelden. Munstergeleen kreeg echter stukken toegewezen op het gebied van Urmond, omdat Sittard alles in haar buurt wilde hebben. Besloten werd dat de verdeling over de gemeenten naar verhouding van het aantal “vuurhaarden” in de gemeente moest gebeuren. De burgemeesters werden op pad gestuurd om het aantal vuurhaarden te tellen. Tot uitvoering van de opdeling kwam het echter niet.

 

De periode na 1815

Nadat de Fransen in 1815 vertrokken waren en het hele gebied bij Nederland kwam werd het probleem van de opdeling weer opgepakt. Het aantal huizen in Sittard werd in 1818 opnieuw geteld omdat volgens Limbricht door Sittard gefoeteld was. Dat bleek te kloppen; het waren er maar 773 terwijl er in 1812 995 geteld werden. Vermoedelijk is zelfs dat aantal nog te hoog, want in 1840 had Sittard maar 652 huizen.

Op 20 december 1818 werd de definitieve akte van verdeling opgemaakt en op 20 maart 1819 werd die door koning Willem I ondertekend. Alles werd verdeeld in verhouding tot het aantal "vuurhaarden" (woningen) . Vooral Sittard, maar ook Beek werden daardoor enorm bevoordeeld omdat in deze grotere plaatsen ook veel mensen woonden die helemaal niet boerden en de Graetheide helemaal niet gebruikten. Beek kreeg op die manier grote stukken die al eeuwenlang door Stein en Elsloo gebruikt werden. Urmond, Berg, Krawinkel, Lutterade, Guttecoven en Einighausen vonden dat ze veel te weinig kregen en gingen in beroep bij de koning; zonder resultaat. Ook namen ze samen een advocaat die bij Provinciale Staten een schriftelijk pleidooi indiende (in het Frans) waarin hij vroeg de grenzen tussen de verschillende gemeenten zoals die al eeuwenlang waren te respecteren. Hij voerde o.a. aan dat "meer dan 1000 gezinnen in een staat van uiterste misère gebracht worden".

In een boek over de geschiedenis van Geleen uit 1860 schrijft de auteur, de heer J. Russel het volgende.

russel1 russel2

 

 De bevolking bleef zich heftig verzetten en verdedigde zijn grond met rieken en schoppen. Een boerin uit Berg die haar koe liet grazen waar ze dat altijd gedaan had werd in Sittard en later in Maastricht in de gevangenis gezet. Hetzelfde gebeurde met 5 boeren uit Urmond en Berg die gras hadden gemaaid op een plaats die niet meer van hen was. Sittard stuurde gendarmen af op boeren die hun grond gewoon bleven gebruiken en nam hun koeien in beslag. Door met rieken bewapende Urmondenaren werden ze verjaagd. Anderen probeerden misbruik te maken van de toestand. Grevenbichtenaren oogstten het graan dat door Bergenaren gezaaid was toen de grond nog officieel hun eigendom was. Ze werden door de rechter veroordeeld om de schade te vergoeden.

 

De kwalijke rol van Sittard

Hoe is het mogelijk dat tegen de wil van de bevolking in een verdeling gemaakt werd die erg hard aankwam bij vooral het armere deel van de bevolking? Eeuwenlang had men gratis grond op Graetheide kunnen gebruiken voor hun vee en ze konden het hout gebruiken voor de kachel en de bouw van huizen. En nu raakten de meesten het kwijt of moesten pacht gaan betalen. De gemeenten echter hadden veel voordeel van de privatisering want ze konden pacht innen en grond verkopen. Daarom probeerden ze zoveel mogelijk grond toegewezen te krijgen. En Sittard slaagde daar heel goed in. De gemeente had goede contacten met de provincie, want burgemeester Schmitz was tevens Statenlid en had dus een goede ingang in Maastricht. Hoe de bevolking over de rol van Sittard dacht blijkt uit een boekje getiteld “Historische gedenkstukken van Limbricht en Einighausen” dat de in Einighausen geboren priester K. Dircks in 1835 schreef. Enkele passages volgen hieronder.

Omstreeks 1820 zocht Sittard zich te ontlasten van schulden die de stad zozeer drukten en zochten bij verkoping der Graetheide zich van alle schulden te ontdoen. Hetwelk zij over enige honderden jaren gehad hadden, was niet toereikend en hierom zochten zij zich op ene schelmse wijze te helpen. De grootste ongerechtigheid bestond hierin dat zij enige jaren tevoren te veel huizen hadden willen delen, maar de burgemeester van Limbricht ontdekte dit bedrog. Maar zodra men ene zwarte manier van ongerechtigheid heeft uitgedacht en niet gelukken wil, komt men tot ene andere die veel zwarter is dan de eerste. Zo deden ook de Sittardse dwingelanden. Zodoende trachten zij hun doel te bereiken, die onrechtvaardige dwingelanders. Ja, gelijk dwingelanders kwamen zij met al hun janhagel en stratenvolkje, die de bedelkorf zo dikwijls in Einighausen gevuld hadden en wierpen graven op en zochten zich zo met geweld in ene onrechte bezitting te stellen.

Sittard verkocht in 1824 al haar grond. Bij de verkoop bleek echter dat burgemeester Lunenschloss zelf al 70 hectare gekocht had voordat anderen een kans kregen. Lunenscloss (geboren in Heinsberg in 1772) was tussen 1816 en 1830 raadslid, schepen en burgemeester van Sittard. Op de gekochte grond bouwde hij een grote boerderij, de Lünenschlosshof. Deze werd rond 1980 door DSM afgebroken. Ook de hoeve Rosengarten werd in die tijd gebouwd..

 

De ruzie tussen Urmond en Munstergeleen

De gemeente Munstergeleen kreeg grond toegewezen die ver van Munstergeleen af lag omdat Sittard alles in de buurt inpikte. Men kreeg 68 bunder (een bunder is ongeveer een halve hectare) toegewezen in de gemeente Urmond, waarvan er 32 bunder al heel lang in bezit van inwoners van Berg en Urmond waren en al ontgonnen waren. De inwoners van Berg stuurden een protestbrief naar de provincie; ook de gemeenteraad van Urmond protesteerde heftig. Men vond dat vastgehouden moest worden aan de oude grenzen zoals die al eeuwenlang vastlagen. De gouverneur stuurde een brief terug dat Urmond in 1812 akkoord is gegaan met een verdeling volgens het aantal vuurhaarden en dat daar bij de verdeling rekening mee is gehouden. De burgemeester is hierover zo boos dat hij aftreedt.

Nadat nieuwe greppels tussen de gebieden van Grevenbicht en Berg-Urmond waren aangelegd werden die door de bevolking vernield. De nieuwe burgemeester wordt dan door de provincie ontslagen omdat hij dat niet verhinderd heeft. Ook de gemeenteraad blijft zich verzetten en stuurt weer een brief naar de provincie waarin gesteld wordt dat “door het verloren gaan van de weiden op Graetheide al het vee van honger zal omkomen en velen tot den bedelzak zullen geraken”. De provincie is echter zeer verontwaardigd dat Urmond niet gewoon doet wat van hogerhand opgedragen wordt.

Munstergeleen start in 1823 een proefproces tegen een inwoner van Berg om hem te dwingen zijn grond op te geven. De rechter bepaalt echter dat de man de grond mag blijven gebruiken omdat hij dat al meer dan 30 jaar doet (verjaring). De andere inwoners die allang grond op Graetheide in gebruik hadden (85 in totaal) willen dat natuurlijk ook houden. In 1841 beslist de raad van Munstergeleen dat ze de grond mogen hebben als ze de grondbelasting die Munstergeleen vanaf 1820 betaald heeft terugbetalen. Hierover wordt nog tot 1853 geprocedeerd.

Het niet ontgonnen deel van Munstergeleen werd in 1826 bij opbod verkocht, o.a. aan de Belgische grootgrondbezitter Michiels. De rechter moet er weer aan te pas komen om de Urmondenaren van de grond te verdrijven. Michiels bouwt op het gekochte stuk grond het "kasteel" Welschenheuvel.

 

De ruzie tussen Stein en Elsloo

De inwoners van Groot Meers, dat tot de gemeente Stein behoorde, hadden aan de zuidkant van Stein een deel van Graetheide in gebruik. De gemeente Stein verdeelde het aan de gemeente toegewezen stuk echter onder de inwoners van Stein. In 1836 ging Groot Meers over naar de gemeente Elsloo. Elsloo moest daarna de grondbelasting over het gebied betalen, terwijl de pacht naar de gemeente Stein ging en de inwoners van Meers nog altijd geen grond hadden. Stein weigert echter de grond af te geven. Er ontstaan hoogoplopende conflicten tussen beide gemeenten en de bevolking komt in opstand. Landmeters werden bedreigd en grenspalen uitgetrokken Het leger trok in 1842 met 100 man op naar Stein om de zaak in bedwang te houden. Dit haalt zelfs de landelijke pers. Uiteindelijk wordt ook officieel de heide van Meers bij Stein gevoegd.

  

Bronnen:

Munsters A. : De soevereiniteit van de Graetheide  in Historisch Jaarboek Land van Zwentibold 1986

Schrijnemakers H.:  Einighausen, oorsprong en ontwikkeling van dorp en parochie

Strijkers J.H. e.a.: Overmunthe, uit het rijke verleden van Berg en Urmond

Russel J.:  De heerlijkheid Geleen (uitgegeven in 1860)

 

Schrijver: Hub Slangen

 

 

back f2