Graetheide door de eeuwen heen. 

Graetheide is ongeveer 1000 jaar gemeenschappelijk bezit van de omliggende dorpen geweest. De bewoners mochten het gebied gebruiken voor hun vee en om hout te kappen, maar het was niet hun bezit. Volgens de overlevering is deze regeling in het leven geroepen door koning Zwentibold rond het jaar 900. Limburg behoorde toen tot het Oostfrankische Rijk (het latere Duitse Rijk), dat ontstaan was na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote (768-814). De Oostfrankische keizer Arnulf van Karintië stelde in 895 zijn bastaardzoon Zwentibold aan als koning van Lotharingen, waartoe ook Limburg behoorde. Zwentibold (ook Swentibold en Sanderbout genoemd) bepaalde dat de 14 rond Graetheide liggende dorpen het gebied mochten gebruiken. Dit waren Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Berg, Obbicht, Papenhoven, Buchten en Holtum. Het gebied reikte van Born in het noorden tot Elsloo in het zuiden.Tussen Nattenhoven en Obbicht liep het gebied door tot aan de Maas en aan de oostkant ging het tot de voorstad van Sittard en de rand van Ophoven. Voorwaarde voor de schenking was dat in parochiekerken steeds voor het zielenheil van Zwentibold en zijn vrouw gebeden moest worden. Het jachtrecht bleef uiteraard bij de adel. In 900 sneuvelde Zwentibold; hij werd bijgezet in de abdijkerk van Susteren.
De Heer van Born moest toezicht houden op het naleven van de regels en zo nodig boetes uitdelen. Rond 1400 kwam het gebied onder de hertog van Gulik, die vanaf toen het toezicht uitoefende. Hij had daarvoor twee houtvesters in dienst.
De regels werden opgesteld na advies van een raad waarin twee vertegenwoordigers van elk dorp zitting hadden. De vergaderingen vonden vaak plaats op een heuvel ten oosten van Urmond (toen Reursack genoemd, later Welschenheuvel)Graetheide in 1773
Rond de twaalfde eeuw werd het gebied zo intensief gebruikt dat het bos zich slecht herstelde; het werd deels een heidegebied. Dit kwam door houtkap voor woningen en door intensieve beweiding met schapen. In 1536 vergaderde de adviesraad over dit probleem en besloot het gebied op te delen. Bewoners van elk dorp mochten alleen hun deel van Graetheide gebruiken. De grenzen werden met greppels aangegeven. Het had weinig resultaat; op een vergadering in 1609 werd het probleem weer besproken.

In de loop der jaren werd het gemeenschappelijke gebied steeds kleiner doordat er aan de randen grond verkocht werd. Eind 18e eeuw ontstond er ruzie over het gemeenschappelijk gebruik; in 1775 werd op een vergadering in Sittard gepraat over het verdelen van Graetheide onder de omliggend dorpen en werd afgesproken dat bewoners delen in erfpacht konden krijgen. De verdeling leverde echter veel discussies op die zich tot 1812 zonder resultaat voortsleepten. In 1818 werd door de provincie een beslissing genomen, die door koning Willem 1 in 1819 werd bekrachtigd.
Vooral de kleine boeren, die geen geld hadden om grond te kopen waren de dupe. Ze hadden veel profijt van de gemeenschappelijke grond en raakten dit allemaal kwijt. De bevolking kwam hiertegen in opstand. Veldwachters werden bedreigd met mestvorken en geweren. Discussies in gemeenteraden en procedures sleepten zich voort tot 1853. Vooral Urmond en Berg voelden zich benadeeld omdat ze veel minder gebied kregen dan wat ze tot dan toe in gebruik hadden. Het verzet leverde echter niets op.
Aan het bidden voor koning Zwentibold kwam langzamerhand ook een einde, hoewel het in Elsloo in 1890 nog gebeurde.

Tot begin 20e eeuw bleef Graetheide vrij leeg; er werden verspreid over het gebied een aantal boerderijen gebouwd. In 1901 werd in het gebied de Lexhy bruinkool ontdekt. Van 1919 tot 1921 werden twee groeves geëxploiteerd ten noorden van het huidige Chemelot-terrein, een noordelijk en een zuidelijk van de Urmonderbaan. In totaal werd 677.000 ton bruinkool gewonnen. De storthopen van deze groeves zijn nu nog aanwezig.
Vanaf 1930 werd het zuidelijk deel van Graetheide (dat liep tot Elsloo) in gebruik genomen voor de bouw van de chemische fabrieken van de toenmalige Staatsmijnen, later DSM. Vanaf 1965 kocht DSM ook in het noordelijk deel veel grond aan. Woonhuizen en boerderijen in dit gebied werden gesloopt.

 

 

Bron: Overmunthe, uit het rijke verleden van Berg en Urmond (1978)

 

back f2